Weblog over de geschiedenis van de familie van Egten en StruikPosts RSS Comments RSS

Print Print

Doeke van Egten en de Nisero affaire

Tijdens mijn onderzoek naar het verleden vond ik enkele feiten die wezen op een zijdelingse betrokkenheid van mijn overgrootvader Doeke van Egten bij een belangrijke gebeurtenis in Atjeh; de gijzeling van de bemanning van de Nisero. Hij diende als matroos op het schroefstoomschip Zr. Ms. Atjeh en schroefstoomschip Zr. Ms. Emma in de jaren 1883 - 1885. Om een beeld te krijgen van het leven op de schepen en de zaken die hij meegemaakt had ben ik in het Nationaal Archief de scheepsjournalen van deze schepen gaan doornemen. Veel wijzer wordt je er in eerste instantie niet van, maar met wat geduld kom je toch aardige details tegen. Zo bleek dat de Zr. Ms. Atjeh op 19 juni 1883 vanuit zee de kampongs van Boeboe en Teunom heeft beschoten. Dat was enkele maanden voor de beruchte Niseo affaire. Dit zal toentertijd veel kwaad bloed hebben gezet bij de radja van Teunom.   De Nisero-kwestie, 8 november 1883 - september 1884  Op 8 november 1883 leed het Engelse stoomschip Nisero schipbreuk op de kust van Teunom in de buurt van de kampong Pangah, 20 km zuidelijk van Tjalang. De Nisero, een vrachtschip met een capaciteit van 1800 ton, was met een lading suiker van Soerabaya onderweg naar Marseille. De bemanning, bestaande uit 17 zeelieden van diverse Europese nationaliteiten plus een Amerikaan, werd door de radja van Teunom gevangengenomen en meegevoerd naar het binnenland. De radja eiste een fors losgeld en bovendien opheffing van de blokkade van de Atjehse kust door de Nederlandse oorlogsvloot. Als tegenprestatie was zou hij dan de gevangenen vrij laten. De radja van Teunom was dezelfde die in 1877 de 18 artikelen ondertekend had waarmee hij het Nederlandse gezag formeel erkende.   Expeditionele actie tegen de radja van Teunom (Gedei), januari 1884  Met name Engeland nam het Nisero-incident zeer hoog op. Na een periode van druk diplomatiek verkeer met Nederland voelde dat land zich genoodzaakt in januari 1884 militair in te grijpen in de vorm van een landing bij Teunom. Hiertoe vertrok een marine-eskader uit Oelee Lheue in Groot-Atjeh onder aanvoering van kolonel Henry Demmeni. De expeditie bestond uit de volgende eenheden; het 3e Bataljon Infanterie, een sectie bergartillerie, een detachement genietroepen, de geneeskundige dienst en een sectie intendance. De volgende schepen deel aan de actie: Zr. Ms. Bromo, Banka, Palembang, het transportschip Devonhurst en 2 stoombarkassen. Omdat op 7 januari 1884 niet aan het gestelde ultimatum was voldaan, openden de oorlogsschepen met hun kanonnen het vuur en gingen sloepen met troepen naar de wal. Deze troepen verdreven de vijand en richtten een versterkt bivak in. De volgende dag staken de militairen onder dekking van gewapende sloepen de rivier bij Gedei over en ondernamen een aanval op het zwaar versterkte Gedei, dat na een fel gevecht werd ingenomen. Op 11 januari 1884 bezette een landingsdivisie het bivak en voerden gewapende sloepen de rivier op. De troepen rukten op naar Padang Kring, in de buurt van Gedei gelegen. Spoedig werd Padang Kring veroverd, waarna de nederzetting van de vorst, Simpang Olim, onder vuur werd genomen. Als reactie op dit offensief werden de gijzelaars verder het binnenland in gebracht. Ondanks het feit dat het doel niet was behaald werden per Koninklijk Besluit van 27 januari 1884 no.18 de volgende officieren beloond voor getoonde dapperheid; kolonel der infanterie H. Demmeni tot officier in de Militaire Willems-Orde, Kapitein der infanterie jhr. E.H.F. Leyssius kreeg de eresabel en de eerste luitenant der infanterie R.J. graaf Schimmelpenninck en de luitenant ter zee 1e Klasse P.H. Prager tot ridder in dezelfde orde. Het "verraad" van Toekoe Oemar, juli 1884  Aangezien de diplomatieke verhouding met Engeland steeds slechter werd, besloot gouverneur Laging Tobias een geheime reddingactie op touw te zetten. Onder het motto dat men rovers met rovers moet vangen, benaderde hij het bendehoofd Toekoe Oemar. Deze accepteerde de opdracht de gevangenen te verlossen op voorwaarde dat zijn maatschappelijke positie als peperhandelaar geregeld zou worden. Hij werd op 3 juli 1884 met zijn mannen ingescheept op het oorlogsschip Zr. Ms. Benkoelen. Toekoe Oemar, die door de Nederlanders als bandiet werd beschouwd maar in Atjeh een belangrijk man was, voelde zich aan boord beledigend behandeld. Hij werd als een koelie behandeld en moest op het dek slapen. Terwijl Toekoe Oemar met een sloep aan land werd gezet overvielen zijn manschappen plotseling de sloeproeiers, die zij op twee na vermoordden. De verontwaardiging over dit verraad was aan Nederlandse zijde groot. Toekoe Oemar had zich intussen bij de vijanden van het gouvernement gevoegd en deed voortdurend invallen in Groot-Atjeh. Het Brits-Nederlands Marine eskader, 12 augustus 1884 Een gezamenlijk militair ingrijpen van Engeland en Nederland dreigde. De radja was echter zodanig geïntimideerd door het verschijnen van een Brits-Nederlands eskader op 12 augustus 1884 met zowel Maxwell als gouverneur Laging Tobias aan boord, dat hij zonder veel onderhandelen toegaf. Hij leverde de gijzelaars een maand later uit en ontving als beloning 800.000 daalders terwijl de rede niet meer werd geblokkeerd. Toekoe Jit, zijn raadsman, ontving 10.000 daalder. De slachtoffers werden later herbegraven in een kerkhof te Tjalang.  

Daarnaast kwam ik nog een opmerkelijk detail tegen. Op 14 juni 1884 gaat de schroefstoomschip Zr. Ms. Emma koninging der Nederlanden voor anker bij Lambesoi. Ze zetten een sloep uit met een bewapende bemanning en twee dagen proviand. Hun doel is om Teuko Oemar (Toengkoe Oemar) en volgelingen op te halen. Na enige tijd komt die ook daadwerkelijk aan boord en varen ze naar de haven van Olehleh. Het is natuurlijk maar een zeer klein onderdeel, maar ik vind het toch bijzonder dat mijn overgrootvader op de boot heeft gezeten die zo'n belangrijke hoofdrolspeler uit de Atjeh oorlog naar de toenmalige regent heeft gebracht. Teukoe Oemar kreeg van de regent de opdracht om te gaan onderhandelen namens de Nederlanders met de radja van Teunom. Dat liep overigens rampzalig af. Hij werd op 3 juli 1884 ingescheept op het oorlogsschip de "Benkoelen". Tot aan de plaats van bestemming voelde Teukoe Oemar, die aan Nederlandse zijde wel voor bandiet doorging maar in Atjeh een deftige heer was, zich aan boord beledigend behandeld: Hij werd namelijk als een koelie beschouwd en moest op het dek slapen.(1) Teukoe Oemar en zijn volgelingen gingen aan wal voor de kust van Teunom, maar vermoorden bijna de gehele bemanning van de sloep die ze aan land bracht en bleef daarna vijandig tegenover de Nederlanders. Nieuw detail in dit alles is dat ik heb gevonden dat Teukoe Oemar speciaal is opgehaald uit de buurt van Lambesoi voor deze missie door de Zr. Ms. Emma. Hieronder staat het originele document.

Op 15 juni gaan ze weer van boord. Hieruit blijkt dat de assistent resident van Analaboe ook is meegereist: In 2009 is er een boek uitgekomen over de Nisero affaire (2), geschreven door Fred Lanzing.(3) Het is natuurlijk voor mij de moeite waard dat er nog steeds gepubliceerd wordt over deze tijd en het leek me dan ook zeer interessant om eens met de schrijver van dit boek te gaan praten. Ik zal over ons gesprek in een volgend artikel uitgebreid vertellen. (1) http://nl.m.wikipedia.org/wiki/Teukoe_Oemar (2) http://www.augustus.nl/result_titel.asp?Id=2559 (3) http://www.augustus.nl/result_auteur.asp?auteur=Fred%20Lanzing

No responses yet

Comments are closed.