Weblog over de geschiedenis van de familie van Egten en StruikPosts RSS Comments RSS

Print Print

Boekbespreking: Waar kris en klewang dreigden… een episode uit den heldenstrijd op Atjeh 1895-1897 door T.R.L. Oehmke

In mijn speurtocht naar informatie over de Atjeh oorlog stuitte ik op dit boek. Het bleek het geromaniseerde verhaal van een jongen die 4 jaren in militaire dienst doorbrengt en een groot gedeelte daarvan in Atjeh. De periode dat het boek bestrijkt is ongeveer van juni 1894 tot januari 1998. Tjabring Struik diende van precies dus binnen de periode dat dit boek speelt, nl van 26 juni 1895 tot en met 3 juli 1897. Het boek geeft allerlei details via de wetenswaardigheden van de jonge soldaat Piet Blom van het soldaten bestaan weer. Zo vetrokken de soldaten uit het boek in maart 1894 vanaf de Handelskade te Amsterdam naar Batavia. Onderweg voeren ze langs de legendarische vulkaan de Krakatau. Bij aankomst gaan ze naar het eerste Depôtbataljon te Meester Cornelis, een plaatsje vijf kilometer ten zuiden van Batavia,”waar het klimaat gezonder is dan aan de kust met haar lagunes en moerassen, haar koortsen en buikziekten.” Ze blijven daar een week of 6. Daarna gaan ze naar het 10de bataljon te Weltevreden. In mei 1895 komen ze uiteindelijk in Atjeh terecht en worden ze ingedeeld in het 2de garnizoensbataljon te Kota Radja. op miltair gebied worden we ook wijzer. Zo worden in die tijd de Beaumont-geweren vervangen door de veel modernere Manlicher repeteer geweren, die 5 kogels achter elkaar kunnen verschieten zonder te herladen.

In augustus 1895 wordt Piet overgeplaatst naar Tjot Mantjang, een post zo’n 6 km buiten de geconcentreerde linie. In het boek is ook een mooie tekening van dit kampement te vinden waarop goed te zien is dat “Inlanders”en “Europeanen”apart gehuisvest werden. Vanuit dit fort deserteerd één van de soldaten; de roodharige Pauwels. Dit is inderdaad ook echt gebeurd. Pauwels slot zich aan bij de Atjehers en maakte het Nederlandse leger het leven moeilijk. In dit fort maken ze ook hun eerste aanval van de Atjehers mee, die het fort besluipen en aanvallen Uit het boek wordt duidelijk dat Tjabring Struik op een belangrijk snijvlak in de slepende oorlog in Atjeh diende. Atjeh was in 1873 een zelfstandige staat en lag strategisch aan de straat van Malakka. Nederland wilde Atjeh annexeren voordat andere westerse mogendheden dat konden doen. In 1873 verklaarde Nederland Atjeh de oorlog en bezette het land. De Nederlanders bezette echter niet het hele land, maar zette in 1880 16 forten op rond de hoofdstad Kota Radja en de havenstad Oleh-Leh, de zgn. geconcentreerde linie. Dit stelsel was nog in stand toen Tjabring Struik in Atjeh kwam. De Nederlandse posten werden vak beschoten en buiten deze linie durfde men zich nauwelijks te wagen. Daar werd geopereerd door een met de Nederlanders bevriende Atjeher, Toekoe Oemar (teuko Oemar). Het boek beschrijft dat in Oktober en November 1895 de vijand steeds vaker aanvalt: “Gedurende de volgende maand, October, en in de eerste weken van November traden de vijandelijke benden steeds brutaler op. In de vroege morgenuren van den 8sten October deed een honderdtal met geweren bewapende Atjehers een stoutmoedige aanval op Tjot Mantjang” De maanden december tot en maart was het rustiger ook doordat het dan regenseizoen is op Atjeh. De regen veranderde het landschap in moerassen en poelen. In maart zijn de soldaten uit het boek blij. De “Overwinnaar van Lombok”, generaal Vetter wordt aangesteld als Regeeringscommisaris. Ze verwachten dat hij meer korte metten maakt met de Atjehers, zoals hij ook een jaar eerder in 1894 met de Lombok Expeditie heeft gedaan. De huidige machthebber op Atjeh, generaal Deijkerhoff wordt door hen als een slappeling gezien die zich achter de geconcentreerde linie schuilhoud en weigert een “grote schoonmaak” te houden. Toekoe Oemar, die door generaal Deijkerhoff vertrouwd wordt, wordt door de soldaten als een verrader gezien en men vertrouwd hem voor geen cent. In de nacht van 28 op 29 maart blijkt hun wantrouwen terecht. Toekoe Oemar lokt de Nederlandse legers in een val en de buitenposten krijgen het zwaar te verduren. Het boek doet van zo’n belegering uitgebreid verslag. Het gaat hier om de buitenpost Tjot Mantjang. In het boek doet ook een zeer belangrijke Atjeh speler zijn intrede, overste van Heutsz. Uiteindelijk wordt zijn hulp ingeroepen door een dwangarbeiders die zich als vrijwilliger gemeld heeft om door de linies naar Kota Radja te wagen. Daar aangekomen wordt hij bij Toewan Besar ( grote heer) van Heutsz gebracht. Die geeft hem het volgende briefje mee om terug te bezorgen. De datums die erin genoemd worden is 23 en 25 mei 1896: “Aan den commandant en het garnizoen van Tjot Mantjang. Ik heb uwen noodkreet vernomen. Alles is thans voor den aanval gereed. Op den 23sten rukken wij op tegen de stellingen van Lam Pisang en in de groote kloof. Op den 25sten komen wij naar Tjot Mantjang. Houdt dus nog twee dagen vol. De gouverneur dankt u voor uwe daperheid en trouw! (get.) VAN HEUTSZ” En inderdaad, op 25 mei worden ze bevrijd door van Heutsz en zijn mannen. Piet wordt bevorderd tot sergeant en later ingedeeld bij de nieuwe eenheid; de maréchaussée. In juni 1896 doen ze nog mee aan een Aktie tegen Anak galong. Waar hij ook licht gewond raakt. Daarna is het nog steeds onrustig in Atjeh en overvielen “roversbenden” in november en december 1896 diverse kampongs. Begin 1897 zijn Piet en zijn vrienden ingedeeld bij het 9de bataljon. De maanden maarten april zijn rustig, ook vanwege het regenseizoen. Op 4 mei wordt een sectie cavalerie nabij de kampong Gléieung bij de Atjeh rivier beschoten. Piet en zijn vrienden worden daar op 9 mei naar toegestuurd, samen met maréchaussée, bergartillerie en cavalerie. Ter plaatse wordt strijd geleverd met een figuur die we eerder in het boek hebben leren kennen, deserteur Pauwels. Bij een aanval op een verstekte “benting” (een soort fort) komt deze Pauwels om het leven. E vallen ook aan Nederlandse zijde veel slachtoffers; 126 man. De beenwond die Peit daar oploopt is dermate erg dat hij tenslotte afgekeurd wordt op grond van ‘debilitas, d.i. algemene verzwakking. In december 1897 vertrekt hij dan weer naar Nederland. Het boek sluit af met wat heldhaftige taal en hoe goed zijn bijdrage geweest is. Natuurlijk is dit boek een nogal eenzijdige weergave van de oorlog in Atjeh. Toch is het de moeite waard omdat het een goed beeld geeft van wat zich nu juist in de twee jaar dat Tjabring Struik in Indië diende afspeelde. Het is ook leuk om te zien dat en aantal feiten die ik via Brink en mijn moeder te horen had gekregen ook in het boek zitten, zoals de Inlandse soldaten, de moesson, etc. Om de gebeurtenissen in het boek beter te begrijpen heb ik ook het boek “De Atjeh-oorlog” van Paul van ’t Veer erbij gepakt en de stukken over de periode 1895 – 1897 gelezen. En ook daarin komen we veel van de gebeurtenissen van die tijd tegen. Niet met zoveel detail, maar wel voldoende om te kunnen zien dat het boek van Oehmke ergens op gebaseerd is. http://www.collectie.legermuseum.nl/sites/strategion/contents/i004554/arma20%20het%20geweer%20m95.pdf

One response so far

Comments are closed.